12 december, 2013

Economie & Werk

In Museum Boerhaave werd 9 december tijdens de jaarlijkse bijeenkomst van de Adviesraad Ondernemersfonds Leiden de Innovatieprijs uitgereikt aan de Leidse Instrumentmakersschool (LIS). Directeur Dick Harms van de LIS

Sinds 1901

LIS toenDe Leidse instrumentmakersschool is in 1901 officieel opgericht door de Leidse koude-pionier en Nobelprijswinnaar Heike Kamerlingh Onnes. Die was niet alleen knap, maar beschikte ook over veel organisatietalent. Ook besefte hij dat hij zijn koude-laboratorium alleen naar grote hoogten kon voeren als hij zich verzekerd wist van goede technici om die door hem uitgedokterde apparaten daadwerkelijk te bouwen.

Kamerlingh Onnes

Kamerling Onnes

Kamerlingh Onnes

Kamerlingh Onnes had vanaf zijn aanstelling in 1882 (‘Door meten tot weten’, zei hij in zijn oratie) een aantal leerjongens in zijn laboratorium rondlopen, die meestal van de ambachtsschool kwamen en dus zo’n 15, 16 jaar oud waren. Ze kregen een bescheiden weekloon, maar toen er steeds meer van die ‘blauwe jongens’ rondliepen (zo genoemd naar de kleur van hun kiel), dreigde de zaak aan zijn succes te gronde te gaan. Oplossing: een officiële opleiding/school die door overheden (rijk, provincie, gemeente) financieel werd gesteund en die een vliegende start kreeg dankzij belangrijke steun van de Amsterdamse tabakshandelaar en filantroop P.W. Janssen. Via die school, die helemaal geïntegreerd was in het Natuurkundig Laboratorium, kon Kamerlingh Onnes vakbekwame technici aanstellen (glasblazer Kesselring uit Thüringen) die ook zijn eigen lab ten goede kwamen. Zo sneed het mes aan twee kanten – typisch Kamerlingh Onnes.

Van bakkerszoon tot koude-chef

Topopleiding

De leerlingen, enkele tientallen, kregen op de LIS een geweldige opleiding. Ze leerden instrumentmaken, technisch tekenen, assisteren bij collegeproeven, helpen bij lopend wetenschappelijk onderzoek, staalsmeden, boekhouden, glasblazen en de boodschappen doen voor Betsy, de vrouw van Kamerlingh Onnes. In de avonduren moesten ze verplicht theorie volgen op MSG (de latere MTS). Kortom, keihard werken, zoals de norm bij Kamerlingh Onnes, maar dan leerde je ook wat. Wie na een jaar of drie afzwaaide kon overal terecht, ook in het buitenland. Amanuensis op een HBS, in het bedrijfsleven, op Yale University.

Gerrit Jan Flim, bakkerszoon uit Hellendoorn en later Kamerlingh Onnes’ technische brein en bedrijfschef van het koudelaboratorium, was een product van dit systeem, en dankzij zijn bijverdienste als docent op de LIS voorkwam Kamerlingh Onnes dat hij werd weggekocht door het bedrijfsleven.

LIS in recente tijden

Die cultuur van de handen uit de mouwen en kwaliteit is de LIS altijd blijven kenmerken. In de jaren negentig, toen de natuurkunde uit de binnenstad naar de polder verhuisde (Huygensgebouw), vond een ontvlechting plaats en kreeg de LIS een eigen schoolgebouw – vlakbij het laboratorium. In de tijd dat de ROC’s ontstonden heeft de LIS zijn zelfstandigheid en eigen karakter als ware het een klein Gallisch dorpje met succes weten te verdedigen. Nog altijd is het hard werken op de LIS, met veel meer ‘contacturen’ (alleen het woord al!) dan in ROC-land, maar dan heb je ook wat en de afgestudeerden zijn ook nu nog zeer gewild.

Dirk van Delft, directeur Museum Boerhaave

Nieuwsbrief

Ontvang wekelijks de beste artikelen