24 mei, 2013

Stad & Politiek

Na tien jaar burgemeesterschap is Henri Lenferink (56) nog niet klaar met de stad. Het winkelhart kan een stuk mooier, bepaalde wijken ook, maar vooral: het imago van de stad moet beter. En Lenferink lijkt niet te zullen rusten totdat ook ver over de gemeentegrenzen bekend is hoe fantastisch Leiden is.

Lenferink2-LNUIets van een droge Tukker heeft hij nog altijd. Zo vindt hij zijn jubileum, officieel was het vorige week vrijdag, eigenlijk niet iets om lang bij stil te staan. En op de vraag hoe het is om te besturen met een wethoudersploeg waarin zijn partij, de PvdA, voor het eerst sinds mensenheugenis ontbreekt: “Er is goed mee te werken hoor, het is niet vervelend.”
In de loop van die tien jaar is zijn Leidse hart ook steeds verder opgebloeid, zegt Lenferink zelf. “Dat had ik al de eerste dagen dat ik hier burgemeester was. Toen was het wél mooi weer. Dan liep ik ’s morgens over het Rapenburg, de Zonneveldstraat, allemaal even mooi. Dat kan ik echt nog oproepen, die beelden van toen.”

Almere

Behalve op de aanblik is hij inmiddels ook dol op het karakter van de stad. “Iemand vroeg me laatst: is het een soort managementklus? Maar zo zie ik het totaal niet. Voor een burgemeester is Leiden groot genoeg om van alles te doen te hebben, en klein genoeg om het te overzien. De stad moet je pakken, de stad heeft me gepakt. Ik heb niks tegen Almere, maar ik zou er geen burgemeester kunnen zijn. Het is de sfeer hier, het academische klimaat misschien ook, wat ik heel prettig vind. De enorme betrokkenheid en openheid van de mensen. De hoeveelheid activiteiten die er wordt georganiseerd, ik voel echt een postieve vibe in de stad.”
Het gaat momenteel met Leiden ook relatief goed, zegt Lenferink. Met de nadruk op relatief. “De crisis is hier minder groot dan elders. De jeugdwerkloosheid is de laagste van Nederland. We slagen er nog wel eens in een nieuw bedrijf zich hier te laten vestigen. Dat zijn vaak kleintjes, het gebeurt zelden dat je een grote klapper maakt. Ook buitenlandse bedrijven die hier komen, beginnen vaak klein, om te kijken hoe het gaat, en dan zie je meestal dat ze sneller dan verwacht hun targets halen. Dat zijn mooie dingen.”

Het Bio Science Park, daar mogen we echt trots op zijn.

Het succes van het Bio Science Park noemt hij zelfs een van de dominante ontwikkelingen in de afgelopen tien jaar. “Dat is ook klein begonnen. De toenmalig collegevoorzitter van de universiteit A.W. Kist zag dat we goud in handen hadden. Het is een succesvolle samenwerking gebleken, waar heel veel partijen aan mee hebben gedaan. Ook Nettie Buitelaar, de directeur van het Bio Science Park, is daarin heel belangrijk geweest. Tegenwoordig is het in het hele land doorgedrongen dat we hier zo’n succesvol bedrijvenpark hebben. Daar mogen we echt trots op zijn.”

Arm en dom

Desondanks is het imago van Leiden als arme industriestad hardnekkig. En in den lande staan we nog steeds bekend als dom. “Dat is ooit als grapje begonnen. Het is nooit gemeten, het is ook nooit waar geweest en het is nu zéker niet waar, maar ik hoor het nog steeds wel eens. En bijvoorbeeld als het over winkels gaat, is lang gedacht dat Leiden vooral voor een Zeeman en een Wibra een geschikte vestigingsplaats was. Dat is wel aan het veranderen hoor, en hopelijk helpen de Aalmarktplannen daar verder bij. Al moet je ook erkennen dat het winkelen aan het veranderen is en dat een deel van de Leidenaars misschien zo makkelijk elders winkelt omdat ze zich niet zozeer Leidenaar als wel Randstedeling voelen. Een spijkerbroek kún je natuurlijk ook overal kopen. Maar qua beleving moet Leiden het van Alphen, Lisse en Leidsenhage toch wel kunnen winnen.”

Gladde tegel

Een deel van het Leidse winkelhart moet dan nog wel een metamorfose krijgen, vindt Lenferink, die de openbare ruimte in de stad ‘niet aan alle kanten geslaagd’ en op sommige plekken ronduit ‘shabby’ noemt. Over de steen waarmee de Haarlemmerstraat is geplaveid raakt hij niet uitgemopperd. “Het is een gladde tegel, van tien bij twintig ofzo, die past hier helemaal niet. Toen ik kwam wilde men deze stenen ook op de Lange Mare gaan leggen.

LNU-Haarlemmerstraat

De Haarlemmerstraat met de gewraakte tegel.

Daar heb ik toen erg op gehamerd om dat niet te doen. Gewoon: natuursteen en gebakken klinkers, dat past in de stad. De Donkersteeg hebben we nu net herstraat. Die is veel mooier geworden, véél mooier. Alleen is het niet gelukt om de eigenaren mee te krijgen. Dat moet me ook nog van het hart: de vastgoedeigenaren denken in Leiden te weinig na over de rol die zij hebben in het verbeteren van de omgeving. Je zou als gemeente gewoon moeten kunnen afspreken: wij knappen de straten en de verlichting op, jullie de gevels. Het heeft te maken met kortzichtigheid, het kost natuurlijk geld. Maar als je wilt zien wat er mogelijk is, ga eens kijken bij die tassenwinkel hier op de Breestraat. Dat was een bekladde gevel en is nu een bloedmooi, fantastisch pandje geworden.”

Comtesse-LNU

Het ‘bloedmooie’ pand van tassenzaak Comtesse.

Wat hij de komende jaren nog wil doen? Er is een aantal woonwijken waar de kwaliteit wel wat omhoog kan, zegt hij. “Ga maar eens rondrijden. De Rivierenbuurt, de Zeeheldenbuurt, stukjes Kooi. Dat zal niet in twee jaar lukken, maar daar komen we de komende jaren wel mee in aanraking. Daarnaast is het goed om de positieve kanten van de kennisstad die we zijn, te versterken. Aan cultuur bijvoorbeeld hebben we de afgelopen jaren meer uitgegeven. We gaan nu proberen de bezuinigingen daarop te beperken.” En ja, daar hebben alle Leidenaars profijt van, beklemtoont hij. “Het is goed voor de werkgelegenheid, voor het winkelaanbod, de hele stad wordt erin mee getrokken.”

Of hij over twee jaar voor een nieuwe termijn gaat? Toch weer nuchter: “De gemeenteraad bepaalt dat. Maar ik vind het hartstikke leuk hier.”

 

 

Nieuwsbrief

Ontvang wekelijks de beste artikelen