Nog even over die verkiezingen…

17 maart, 2014

Stad & Politiek

Hebben we een grote winnaar in ons midden?

Tja… bij de vorige twee gemeenteraadsverkiezingen waren de grote winnaars de partijen die tegen de Rijn Gouwe Lijn waren. Acht jaar geleden was dat de SP, die toen vanuit een vrij marginale positie met drie zetels opeens naar zeven ging en in vier stembureaus in de Professoren- en Burgemeesterswijk zelfs de grootste partij bleek. In 2010 was het D66 dat van twee zetels naar tien ging, vooral door de duidelijke stellingname tegen de RGL. Een sneltram waar ze vijf jaar eerder nog minstens zo stellig vóór waren, maar dat terzijde.

20140317_152706De twee voornaamste oppositiepartijen proberen ons nu naar de stembus te krijgen voor respectievelijk de wijken (PvdA) en het afblazen van de parkeergarages (GroenLinks). Dat lijken beide geen verkiezingsitems met evenveel potentie als de RGL. Maar ze hebben gelijk dat ze het hiermee proberen. Roepen dat je als gemeente de komende vier jaar je handen vol zult hebben aan het jeugdbeleid en de zorgtaken die je van het rijk krijgt overgeheveld, zal in beide campagneteams als een wellicht realistische maar weinig aansprekende aanpak zijn beoordeeld. In debatten en stemwijzers hebben PvdA en GroenLinks hun mond vol over die decentralisaties, maar voor op de poster zijn ze niet sexy genoeg.

Wat staat ons eigenlijk te wachten?

Dat de coalitie (D66-VVD-CDA-SP) ongeschonden de eindstreep heeft gehaald, is een prestatie op zich. Temeer omdat het in Leiden al meer dan dertig jaar geen college was gelukt. Dat lijkt reden om aan te nemen dat deze coalitie misschien ook ongestoord ‘door’ kan na 19 maart. De vraag is of de betrokken partijen dat zelf wel willen. Desgevraagd zeggen ze nu vooral de werkwijze en de stijl van het huidige college te willen voortzetten, maar dus niet per se de samenstelling.
Wat je als strategische kiezer moet stemmen als je vindt dat deze club het goed doet, is moeilijk te zeggen. D66 misschien, omdat dit college zo’n sterk D66-stempel draagt. Maar die partij heeft, zowel landelijk als in Leiden, een nogal sterke traditie van groeien in de oppositie en weer wegzakken zodra ze aan de macht geweest is. Kiezers zijn nogal wendbaar tegenwoordig. Het is dan ook de vraag of de democraten hun sterke positie weten te continueren. Het is evenzeer de vraag of ze dan weer partners van links én rechts zoeken.

Waar worden we 'kieswijzer'?

Er is niet één groot thema, er is geen heldere keuze tussen een meer liberaal of een meer sociaal getint college. Dus leef je uit. Check de stemwijzer, het kieskompas,  zie de matrixen van het LD afgelopen zaterdag (niet op internet) en Mare afgelopen donderdag (hier). Volg je hart, je buurman, of wie je maar wilt.

En alle verkiezingsprogramma’s vind je hier. Een paar waarschuwingen vooraf:

Hoe dik en fraai uitgevoerd ze soms ook zijn, er staat niet altijd veel concreets in, en wel veel open deuren. De meeste partijen willen vooral van alles bevorderen waar maar weinigen tegen zijn. Een bruisende, maar veilige stad bijvoorbeeld. Waar jong en oud goed wonen, werken en recreëren. Of gelijke kansen, goed onderwijs, zoveel mogelijk mensen aan het werk en zo weinig mogelijk in de bijstand. Ze formuleren ook zelden keiharde eisen, want ze weten dat er straks na de verkiezingen water bij de wijn moet. En vaak ook komen ze niet verder dan zoiets als: een moderne binnenstad is een combinatie van wonen, werken, cultuur en shoppen. Dat is geen belofte, geen plan, geen programmapunt, dat is een hele vage, veilige stelling. Er is geen partij die zegt: vergeet dat winkelen maar, laten we de stad volplempen met musea en terrassen.

Kijk, ten slotte, uit voor pleonasmen. ‘Wij zijn tegen onzinnige regels.’ Of: ‘Iedereen moet de zorg krijgen die hij nodig heeft.’ Dat klinkt even best kranig, maar het zegt eigenlijk niets. Er is geen partij die voorstelt om vooral bepaalde mensen de zorg te geven die ze niet nodig hebben. Of die een schrijnend tekort aan onzinnige regels heeft geconstateerd.

Is het wel allemaal waar?

Natuurlijk niet. Geloof nooit een poster, of het nou gaat om de huid van een model of de beloften van een politieke partij. ‘En nu de wijken’ (PvdA) impliceert dat er op het stadhuis de afgelopen vier jaar alleen maar aan de grachtengordel is gedacht. Daar valt wel wat op af 20140317_151143te dingen. In De Kooi is van alles gaande, het Diamantplein is opgeknapt, zeker voor wie van vijftig tinten grijs houdt, en bovendien heeft veel beleid per definitie betrekking op de hele stad. De brandweer blust ook in de wijken, zoals een der wethouders onlangs opmerkte.

‘Minder subsidies, belasting omlaag’ (VVD) is natuurlijk ook niet meer dan het begin van een voorstel. Want welke subsidies dan? Daar weigert de VVD al heel lang antwoord op te geven. En wat heb je aan lagere belastingen als tegelijk de bibliotheek en het theater duurder worden, en sportverenigingen het loodje leggen?

‘Wat zou jij doen met 80 miljoen?’ vraagt GroenLinks vanaf zijn poster. Het is al vaker gezegd, die tachtig miljoen ligt niet ergens klaar, te wachten op een beter idee dan twee parkeergarages (waar in de leus van GroenLinks op gedoeld wordt). Het gaat hier om een investering van in totaal 80 miljoen, die volgens de berekeningen geheel wordt terugbetaald door de parkeerders die er de komende veertig jaar gebruik van maken. Of dat resultaat ook wordt waargemaakt valt te bezien, maar er bestaan voor niemand, ook voor een gemeente niet, uitgaven zonder risisco.

De mooiste leugen, zij het een kleintje, vinden we bij Partij Sleutelstad. Die afficheert zich als de meest geëmancipeerde van alle Leidse partijen, en roept daarbij de ene keer dat ze 55 % en de andere keer zelfs 57 % vrouwen op de lijst heeft staan. Zeven van de dertien is inderdaad meer dan gemiddeld, maar toch echt niet meer dan 53,8, dus afgerond 54 procent.

Recept voor keuzestress

Ben je eindelijk uit je partijvoorkeur, dan heb je nog een lijst namen om uit te kiezen. De dertien partijen schuiven in totaal 338 kandidaten naar voren, gemiddeld 26 dus. Onder die 338 zijn er genoeg die nog nooit met eigen ogen de raadszaal hebben gezien, maar je mag als partij nou eenmaal een hele waslijst aanmelden, en ervan uitgaande dat elke kandidaat minstens een handvol familie en vrienden weet te trekken, is er weinig reden om je in te houden. Partij Sleutelstad – zelf een soort vrienden-en-familie-ensemble, maar dat terzijde – drijft de spot met die lange lijsten door de nummer dertien als haar lijst-rekker te presenteren.

Van de grote partijen maken CDA en D66 het het bontst, met vijftig namen op het stembiljet. Aan de andere kant van het spectrum vind je de Libertarische Partij, waar alleen Quintus Backhuijs naar een zetel dingt. Op de vraag, zaterdag tijdens het LD-20140317_151412verkiezingsdebat, of het voor hem zo moeilijk was om medestanders te vinden, had hij wel een fraai antwoord. Zijn probleem, legde hij uit, is dat libertariërs een dusdanige afkeer van ‘het systeem’ hebben dat ze er ook niet aan mee willen doen. Een van de programmapunten van de Libertarische Partij is bijvoorbeeld het afschaffen van de gemeente. Mogelijk, dreigde Backhuijs dan ook, is de revolutie daar bij nader inzien een geschiktere methode voor dan zo’n derde woensdag van maart.

Van die 338 zijn er ook nog een paar die voor zichzelf campagne voeren. Bij de een is dat overduidelijk uit protest tegen een lage positie op de lijst. Een voorbeeld daarvan is Walter van Peijpe, de nummer acht van GroenLinks. Een ander doet het omdat hij nou eenmaal meer bekendheid in de stad geniet als Aad van der Luit dan als D66-politicus. Een goed voorbeeld daarvan is Aad van der Luit, de nummer vijf van D66.

Hoe krijgen we onze buurman in de raadszaal?

Zo’n privécampagne roept natuurlijk vragen op en brengt risico’s met zich mee. Kiezers houden volgens de Maurice de Honden en Ferry Mingelens van deze wereld immers niet van verdeeldheid binnen een partij, en vast en zeker houden ze ook niet van minder getalenteerde gelukszoekers. Aan de andere kant, als pakweg de nummer twaalf van je lijst ook iemand is met een overtuigend verhaal, is dat voor een partij wel degelijk iets om trots op te zijn.

En laten we eerlijk zijn, het zijn ook verkiezingen in een groot dorp. Zo gek is het niet om te stemmen op iemand die je een beetje kent, of van wie je weet dat hij of zij in jouw wijk woont. En zo gek is de gedachte van zo’n kandidaat ook niet dat hij ondanks een lage klassering nog best aan een zetel kan komen. Een kwart van de kiesdeler is genoeg, en vier jaar geleden betekende dat dat je met 333 stemmen in de raad kon komen, mits jouw partij genoeg zetels had en je een hogere score had dan de kandidaten boven je op de lijst. Als de opkomst dit jaar zoals verwacht nog wat lager is, zijn een luttele 300 stemmen misschien wel genoeg.

Nieuwsbrief

Ontvang wekelijks de beste artikelen