03 mei, 2014

Wetenschap & Kennis

De Leidse instrumentenmakers School kan gaan uitbreiden van 220 naar 400 studenten. In maart tekende een tiental partijen het convenant ‘Groei van de LiS’. Onder meer het ministerie van OCW, Stichting UTOPA, de Universiteit en de gemeente Leiden brachten acht miljoen euro samen. Wat maakt de LiS zo bijzonder dat overheid en bedrijfsleven er ruim 44.000 euro per extra opleidingsplaats voor over hebben?

Tussen de bedrijfspanden op het Bio Science Park, in de schaduw van de Gorlaeus Laboratoria en tegenover het Universitair Sportcentrum staat de Leidse instrumentenmakers School (LiS). Het grijze schoolgebouw doet bij binnenkomst eerder denken aan een basisschool uit de jaren ’90 dan een mbo-instelling. Het is tentamenperiode. De studenten zijn nu vooral bezig met hun theorietoetsen. In de grote machinehal vol apparatuur is het dan ook angstvallig stil.

Science fiction

LiS1“Onze studenten worden hier opgeleid om een zo groot mogelijke precisiegraad te bereiken. Dan hebben we het over werk dat tot op een halve micron nauwkeurig moet”, vertelt directeur Dick Harms. Met een tevreden grijns pakt hij een soort metalen schroef ter grootte van een volwassen hand uit de vitrine in zijn kantoor. “Kijk, dit is een laserrichtpunt van een van de studenten. Zie je hoe glad? Op een gegeven moment staan ze echt 250 atomen weg te poetsen op een stukje metaal.”

Wetenschappers zijn afhankelijk van de instrumentmaker. De studenten van de LiS leveren de instrumenten die onmisbaar zijn voor wetenschappers en hightech bedrijven. Harms geeft een voorbeeld van een chocoladefabriek waar ze uit chocoladepasta hagelslag maakten. Al jaren werd de kwaliteit van de chocoladepasta daar getest door ‘een mannetje’, vertelt Harms terwijl hij met zijn vinger de denkbeeldige chocola van zijn bureau likt. “Op een gegeven moment ging dat ‘mannetje’ met pensioen en toen bedacht de fabrikant dat er ook een andere manier moest zijn om de kwaliteit te meten. Met dat idee kwam men bij de LiS. Wij hebben een instrument ontwikkeld, ‘een capaciteitsmeter’.” Trots: “Dat apparaat staat nu ook echt bij dat bedrijf in de fabriek.”

LiS3Maar hoe ziet de opleiding er uit? Harms: “In het eerste jaar leren de studenten de basistechnieken op het gebied van metaal- en glasbewerking. In de jaren daarop stomen we ze met theorie- en praktijklessen klaar om met grote precisie instrumenten te ontwikkelen.” In het vierde jaar gaan de toekomstige instrumentmakers dan in nauwe samenwerking met een opdrachtgever een instrument maken. “De student doorloopt samen met de opdrachtgever het hele proces vanaf het meedenken, via het schetsen en maken tot aan het ontwikkelen van een prototype.” De kamer van de directeur staat vol met de bouwsels van zijn studenten; veelal flinke stukken metaal die eruit zien alsof ze van de set van een sciencefictionfilm afkomstig zijn.

Praktisch buren

Een van de opdrachtgevers van de LiS is Leiden Probe Microscopy (LPM). Zij maken apparatuur waarmee zeer nauwkeurig oppervlaktes kunnen worden verkend en afgebeeld voor wetenschappelijk onderzoek. Door met een tastsensor op zeer hoge resolutie naar een oppervlak te kijken, kunnen ze bijvoorbeeld chemische processen tot op atomair niveau bekijken. Gertjan van Baarle, directeur bij LPM: “Zo’n tastsensor kun je vergelijken met de naald van een platenspeler waarmee het oppervlak van de lp wordt gelezen.”

Onderdelen voor hun apparatuur bestellen ze onder meer bij de LiS. Van Baarle geeft aan dat de LiS niet altijd goedkoper is, maar dat ze bijvoorbeeld vaak wel veel sneller kunnen leveren dan andere bedrijven. Daarnaast is het voor LPM fijn dat de LiS ook op het Bio Science Park is gevestigd. “We zijn praktisch buren! Daarom is het ook zo makkelijk dat we altijd even binnen kunnen wandelen met een bouwtekening voor een nieuw product.”

Chemische raket

LiS2Een van de weinige studenten die ondanks de tentamens wel aanwezig zijn in de machinehal is Matthijs de Groot (19). Een vierdejaarsstudent aan de LiS. Hij is bezig met een ‘demonstratiemodel van een chemische raket’. “Ik vind het fijn dat het onderwijs in kleine groepen gegeven wordt. Er is veel meer aandacht voor de leerlingen”, licht Mathijs zijn keuze voor de LiS toe. Aan het einde van het jaar hoopt hij af te studeren en door te stromen naar het hbo. Daar wil hij werktuigbouwkunde gaan studeren.

De Groot blijkt niet de enige die van plan is naar het hbo door te stromen. Na vier jaar gaat bijna vijftig procent door in het hoger onderwijs. Tien procent stroomt uiteindelijk zelfs door naar een universitaire opleiding. “Maar er zijn er ook genoeg die aan het werk gaan”, vertelt Harms. “Twee studenten begonnen een eigen horlogemakerbedrijf. Je kent hun horloges misschien wel, het zijn van die klokwerken met zo’n heel planetarium in het midden”. Ook bij LPM werken oud-studenten van de LiS. Van Baarle: “Op dit moment hebben wij hier ook weer een oud-student van de LiS rondlopen. Naast het werk dat hij hier doet, studeert hij ook nog aan het hbo.”

Wachtlijsten

LiS6De LiS is een kleine school met 220 studenten. De school kent echter aanzienlijke wachtlijsten. Om te kunnen blijven voldoen aan de onderwijsvraag hebben ze de wens uitgesproken om te kunnen groeien tot 400 studenten. Een wens die recentelijk werd ondersteund met drie miljoen euro van de gemeente en vijf miljoen euro van externe financiers.

Maar heeft de school wel zoveel geld nodig om een paar honderd extra studenten te kunnen bedienen? De visie van de directeur is duidelijk. “Wij zijn een unieke mbo-opleiding voor specialisten. Als je wilt dat wij groeien, dan zal daarin geïnvesteerd moeten worden. We hebben nu alleen al voor negen miljoen euro aan spullen in dit gebouwtje staan voor onze huidige studenten. We hebben dat geld dus hard nodig.” Ook de directeur van LPM vindt het belangrijk dat er in scholen zoals de LiS wordt geïnvesteerd: “Naast alle aandacht voor de Nederlandse kenniseconomie is het ook belangrijk dat er aandacht en geld gaat naar de mensen die producten moeten maken. We moeten dit soort opleidingen zeker niet vergeten.”

Dagobert Duck

LiS4Dat de school zoveel geld bij private partijen wist te verzamelen, mag opmerkelijk genoemd worden in deze economische tijden. Een deel van het geld kwam van de Universiteit Leiden, waarmee Harms de band als ‘broederlijk’ omschrijft. Maar ook van een gulle gever die bijna drie miljoen van zijn eigen geld in de school stopte. Deze ‘Dagobert Duck’, zoals Harms hem noemt, gaf het geld na per toeval op het spoor van de school gekomen te zijn. “Hij was heel enthousiast over wat hij hier zag en besloot het geld aan ons te doneren.”

Hoewel hij met de groei in populariteit en capaciteit wel denkt dat er meer leerlingen puur en alleen uit nieuwsgierigheid op de school zullen afkomen, verwacht Harms niet dat dit effect zal hebben op het onderwijs. “Je bent hier vijf dagen in de week van acht uur ’s ochtends tot kwart voor vijf ’s middags bezig. Je kunt er niet met de pet naar gooien, dan haal je het gewoon niet.”

Nieuwsbrief

Ontvang wekelijks de beste artikelen