18 februari, 2014

Wetenschap & Kennis

De  wetten rondom getuigenverklaringen moeten worden aangepast.  Dat blijkt uit het promotieonderzoek van Marieke Dubelaar. Net als 300 andere onderzoekers promoveert zij dit jaar aan de Universiteit Leiden, en deze week is zij onze dr.Leiden.nu.  Door: Marieke Epping

Wat heb je onderzocht?

‘Ik heb gekeken in hoeverre inzichten uit andere disciplines, zoals de rechtspsychologie en de epistemologie, over getuigen en de praktijk van het recht, aanleiding geven om ons juridisch kader voor getuigenverklaringen aan te passen. Het gaat in de kern om de vraag of de wetten en regels voor het opnemen en waarderen van die verklaringen in het strafrecht wel voldoen aan de eisen van de huidige tijd. En er blijkt wel degelijk aanleiding voor aanpassing te zijn.’

Waar bleek dat uit?

‘In mijn onderzoek heb ik me gericht op twee pijlers rondom getuigenverklaringen: de totstandkoming van de verklaring, dus bij het verhoor door de politie of rechter-commissaris, en de waardering ervan, dat wil zeggen het ‘gebruik’ ervan in de rechtbank en de waarde die de rechter aan de verklaring hecht voor de uitspraak. Vooral voor de totstandkoming weten we uit de literatuur veel over de processen die daarbij een rol spelen. Zo weten we uit de rechtspsychologie dat de manier waarop een verklaring tot stand komt, dus in een verhoor, veel invloed kan hebben op de boodschap en de kwaliteit van de verklaring. Zoals de wijze waarop de verklaring getransformeerd wordt wanneer deze op schrift wordt gesteld en de dialoog wordt omgeschreven naar een monoloog. Maar opvallend genoeg is er niets vastgelegd over hoe zo’n verhoor bij de politie waar de getuige voor het eerst zijn verhaal doet, moet worden afgenomen, of hoe de verklaring op schrift moet worden gesteld. In feite is er dus een leemte in de wet.’

Wat moet er dan worden aangepast?

‘Ik heb een aantal aanbevelingen gedaan in mijn proefschrift, zowel voor aanpassingen in de wetgeving, als in de werkwijzen in de praktijk. Met betrekking tot die totstandkoming van de verklaring, stel ik voor vast te leggen dat de verklaring altijd in een vraag-en-antwoordvorm op schrift wordt gesteld, en dat het verhoor standaard wordt opgenomen. Zo is het proces van totstandkoming zichtbaar en controleerbaar, wanneer de verklaring later wordt gebruikt. Ook doe ik een aanbeveling ten aanzien van de rechter. Deze moet, wanneer er signalen zijn dat een verklaring wellicht niet op de juiste manier tot stand is gekomen, vaker en op eigen initiatief de verklaring onderzoeken en zijn waardering van de verklaring motiveren. De Hoge Raad zou op zijn beurt die motivering indringender moeten toetsen.’

Tot slot: wat heb jij met Leiden?

‘Ik heb hier natuurlijk mijn promotieonderzoek gedaan, en ik heb hier gestudeerd. Ik woon ook in Leiden. En na mijn verdediging blijf ik in Leiden werken, als universitair docent op de Rechtenfaculteit.’

Nieuwsbrief

Ontvang wekelijks de beste artikelen