10 april, 2013

Wetenschap & Kennis

Het meeuwenbroedseizoen staat voor de deur. Dat betekent extra (geluids)overlast. Met een nieuwe campagne gaat de gemeente de strijd aan met de meeuw. De straatmeeuwen Bartje, Bertje en Brutus moeten de Leidenaar ervan overtuigen toch vooral de gele zak te pakken. Tot de komst van ondergrondse containers moeten die zakken ons afval buiten het bereik van de meeuw houden. Maar een oplossing voor alle meeuwenproblemen is het niet.

De kleine mantelmeeuw broedt in Leiden, maar haalt hoofdzakelijk voedsel op zee. (C) Wikimedia Commons

De meeuwen die Leiden bevolken zijn vooral de zilvermeeuw en de mantelmeeuw. Zij broedden tot het eind van de jaren ’80 in de duinen. Toen de vos zich daar vestigde, vond hij in de meeuweneieren een gemakkelijk maaltje. Ze lagen letterlijk voor het oprapen. ‘‘Er broedt geen enkele mantelmeeuw of zilvermeeuw meer in de duinen,’’ zegt stadsbioloog Frits van der Sluis. ‘‘De stormmeeuw die er nog wel broedt, broedt niet meer op de grond, maar in struiken.’’ De meeuwen gingen op zoek naar nieuwe broedplaatsen en kwamen in Leiden terecht.

In Leiden troffen ze een stad vol daken, dakgoten, schoorstenen en dakkapellen. Dat bleken ideale plekken om hun nesten te bouwen. Ook biedt de stad voldoende voedsel in de vorm van vuilniszakken, beter gezegd: de inhoud daarvan. Dat de vlucht naar de stad de meeuwen geen windeieren heeft gelegd blijkt uit de aantallen waarmee ze er nu voorkomen. Van der Sluis doet sinds 2004 onderzoek naar de aantallen meeuwen in de stad. ‘‘In Leiden broeden zo’n duizend kleine mantelmeeuwen. Die zoeken vooral hun voedsel op zee. Hun aantal is over de jaren behoorlijk stabiel gebleven. Zilvermeeuwen broeden vooral op de Waddeneilanden en komen naar Leiden om voedsel te zoeken.’’

Probleemmeeuwen

De Zilvermeeuw broedt op de Waddeneilanden en vliegt naar Leiden om voedsel te zoeken. (C) Wikimedia Commons

Voor meeuwen is Leiden een walhalla, maar voor de Leidenaren zijn de meeuwen een ware plaag. Leidenaren hoef je niet uit te leggen waar de overlast uit bestaat. Uit de stadsenquête van 2011 blijkt namelijk dat driekwart van hen last heeft van meeuwen. Een kwart geeft aan er veel last van te hebben. Volgens de enquête is de overlast gestegen in de afgelopen jaren. Maar dat zou kunnen omdat men steeds vaker op het probleem gewezen wordt door de campagnes van de gemeente. Het is overigens wel mogelijk om in Leiden te wonen en niets van de meeuwenoverlast te merken. 26 procent geeft namelijk aan er niets van te merken.

Maar toch nog even voor die 26 procent een korte uitleg. Goten en regenpijpen raken door meeuwenpoep verstopt. Lekkages, verstoppingen en stankoverlast zijn het gevolg. Ook tasten bijtende stoffen in de poep de dakbekleding aan. Daarnaast trekken vooral de zilvermeeuwen vuilniszakken open en verspreiden de inhoud over straten en grachten. In sommige straten is het slalommen tussen de lege chipszakken, bananenschillen en koffiefilters als de vuilnis buiten staat. Maar de overlast is nog het ergst in het broedseizoen van de kleine mantelmeeuw. Dat begint in mei en duurt tot augustus. Meeuwen beschermen hun kuikens met een hels kabaal en schijnaanvallen op alles wat beweegt.

Aanpakken

Het moet toch niet zo moeilijk zijn om meeuwen te bestrijden, zou je denken. Schiet ze gewoon af. Van der Sluis weet dat dat geen oplossing is. ‘‘Meeuwen zijn te slim om zich te laten doodschieten. En als er op ze wordt gejaagd, dan krijgen ze meer jongen.’’ Een druppel op een gloeiende plaat dus.

In de afgelopen jaren zijn al verschillende oplossingen bedacht. Zo werkte Van der Sluis samen met de Universiteit Leiden in een test waarbij eieren werden vervangen door plastic eieren. De meeuwen broeden tot ze een ons wegen, maar zonder resultaat. Van der Sluis: ‘‘Het helpt wel om te voorkomen dat de kuikens uitkomen. Dan heb je ook niet het gekrijs van de jongen de ouders op je dakkapel.’’

Ook is gedacht aan het onaantrekkelijk maken van de daken met draden en pinnen. Beide oplossingen werken voor individuele gevallen, maar zijn voor de hele stad geen oplossing. ‘‘Als je daken ontoegankelijk maakt, dan is de kans groot dat de meeuwen zich verplaatsen naar het volgende dak. Als je het met de hele wijk doet, dan pakken ze de volgende wijk. Stel dat je er in slaagt om negentig procent van de daken meeuwonvriendelijk te maken, dan is er alsnog ruimte voldoende voor tien keer zoveel meeuwen,’’ legt Van der Sluis uit.

Zou het niet helpen om meeuwen een alternatief te bieden? De plannen daarvoor zijn in de ijskast gezet. ‘‘Binnen de gemeentegrenzen is er geen plaats voor,’’  zegt Van der Sluis. ‘‘Daarnaast zou het zo kunnen zijn dat meeuwen die in de stad geboren zijn minder snel uitwijken naar andere broedlocaties.’’ Van der Sluis ziet wel heil in het overleg dat hij met zijn collega’s in andere kustgemeenten heeft. Ze wisselen ervaringen met verschillende methoden uit.

Gele zakken

De gele zakken en de ondergrondse afvalcontainers die in de komende twee jaar gebouwd zullen worden, zijn een oplossing voor een deel van het probleem. Zilvermeeuwen kunnen met moeite een klein gaatje maken in de gele zakken, maar ze niet aan flarden scheuren. En de containers maken het hen straks helemaal onmogelijk. Dat is een structurele oplossing voor het zwerfvuil. Misschien weren we hiermee de zilvermeeuw uit de stad, maar omdat de kleine mantelmeeuw zijn voedsel vooral op zee zoekt, zal hij gewoon in Leiden blijven broeden.

Op het ei van Columbus moet Leiden nog even wachten. Tot de finale oplossing gevonden is, is Leiden op de gele zak aangewezen. Het enige obstakel daarvoor is dat de gemeente de Leidenaar zover moet krijgen dat hij ze niet alleen pakt, maar ook nog gebruikt. En daar helpen de straatmeeuwen Bartje, Bertje en Brutus hem aan herinneren.

Relevante artikelen

Leiden gaat voor geel

Nieuwsbrief

Ontvang wekelijks de beste artikelen